Citaten: geduld

Citaten 41 t/m 50 van 73.

  • Publilius Syrus
    Publilius Syrus
    Syrisch Latijn-talig dichter 1e eeuw v.C.
    ajax-loader
    - +
    +5

    Geduld, te vaak getergd, wordt razernij.

  • Friedrich von Schiller
    Friedrich von Schiller
    Duits dichter en toneelschrijver 1759-1805
    ajax-loader
    - +
    +5

    Het genie is slechts een buitengewoon vermogen tot geduld.

  • Giuseppe Baretti
    Giuseppe Baretti
    Italiaans-Engels literair criticus en auteur 1719-1789
    ajax-loader
    - +
    +5

    Van honderd goede raadgevingen, spontaan gegeven, wordt nauwelijks een enkele met geduld en dankbaarheid ontvangen.

    Bron: La Frusta Letteraria I, 374

  • John Updike
    John Updike
    Amerikaans schrijver en criticus 1932-2009
    ajax-loader
    - +
    +4

    Een gezonde volwassen zeurpiet consumeert jaarlijks anderhalf maal zijn eigen gewicht aan geduld van anderen.

  • Philip Massinger
    Philip Massinger
    Engels toneelschrijver 1583-1640
    ajax-loader
    - +
    +3

    Geduld is de deugd van de bedelaar.

  • Carmen Sylva
    Carmen Sylva
    Ps. van  Elisabeth zu Wied, Koningin van Roemenië 1843-1916
    ajax-loader
    - +
    +3

    Het geduld is niet passief. Integendeel, het is actie, het is geconcentreerde kracht.

    Bron: Pensées XI, 2

  • William Shakespeare
    William Shakespeare
    Engels toneelschrijver en dichter 1564-1616
    ajax-loader
    - +
    +3

    Niet wraakzucht, maar geduld is ware moed.

    Bron: Timon 3, 5, 39

  • Fons Jansen
    Fons Jansen
    Nederlands cabaretier 1925 -
    ajax-loader
    - +
    +3

    Toppunt van geduld: op de weegschaal blijven staan tot je een ons weegt.

  • Theodor Storm
    Theodor Storm
    Duits schrijver 1817-1888
    ajax-loader
    - +
    +3

    Van het ongeluk eerst trek af de schuld; wat overblijft, draag met geduld.

  • Johann Wolfgang von Goethe
    Johann Wolfgang von Goethe
    Duits schrijver en dichter 1749-1832
    ajax-loader
    - +
    +3

    Wie het recht en het geduld heeft, voor hem komt ook de tijd.

    Bron: Faust II, 4