Citaten 101 t/m 110 van 202.
-
Ongelukkig zij, die juist genoeg verstand hebben om hun domheden in te zien.
-
Onwaarheid als zodanig is nooit "verheven" en juist in 'poëzie' kan ze 't minst geduld worden.
-
Spreekwoorden spreken elkaar tegen. En dat is nu juist de wijsheid van het volk.
-
Wet; een man laat zijn scheten bij de vrouw van wie hij houdt, of juist niet.
-
Critiseren is niet beter maken (laat staan beter weten), doch juist oordelen; vóór alles het goede erkennen, wat altijd moeilijk is, en niet alleen het slechte laken, wat betrekkelijk gemakkelijk is.
-
De ouderdom vangt aan juist op het ogenblik, waarin men vrede met de wereld sluit.
-
De sterken ontwapenen en de zwakken bewapenen zou het veranderen zijn van de maatschappelijke orde die ik juist moet bewaren. Het rechtsbestel is de bekrachtiging van het gevestigde onrecht.
-
Er bestaat geen toeval; en wat ons blinde willekeur toeschijnt, juist dat vindt zijn oorsprong in heel diepe bronnen.
-
Er zijn woorden die onjuist lijken en toch juist zijn, en er zijn woorden die juist lijken en toch onjuist zijn.
-
Het is een misvatting dat de lach en de tragiek tegenpolen zijn. Zij hebben elkaar juist nodig.