Citaten 621 t/m 630 van 5506.
-
Ik sprak een keer Harry Mulisch. En Harry Mulisch zei tegen mij: weet u, soms heb ik een zin geschreven en als ik die zin dan teruglees denk ik... Nee, dit heb ik niet geschreven. Dit, heeft God geschreven.
Ik vroeg hem, hoe weet u nu zo zeker dat u dit niet heeft geschreven maar God? En toen zei hij: ik schrijf beter. -
Ik was niet de snelste maar ik was nooit te laat.
-
Ik zou willen dat men over mijn naam zweeg en zich niet Lutheraan maar Christen noemt. Wat is Luther? De waarheid is toch niet van mij! En ik ben ook voor niemand gekruisigd. [...] Hoe zou ik, arme, stinkende madenzak er dan toe komen dat de kinderen van Christus zich naar mijn naam zouden noemen?
-
Kerstmis is geen tijd of een seizoen maar een bewustzijnstoestand.
-
Men bemint een vrouw niet om wat zij is, maar om wat men van haar denkt.
-
Na dit leven van lijden komt wel een voortbestaan in hemel of hel, maar zelfs de hemelse vreugden zijn voorbijgaand. Dan volgt weer een nieuw bestaan op aarde, dat even vergankelijk, even vluchtig is als al het voorafgaande.
-
Natuurlijke bekwaamheid kan gewoonlijk het gebrek aan ontwikkeling goedmaken; maar geen geestelijke ontwikkeling kan het gebrek aan bekwaamheid goedmaken.
-
Niet de schrijver, de lezer moet fantasie hebben. De lezer is niet de toeschouwer van een toneelstuk, maar de akteur die alle rollen uitbeeldt. De lectuur is zijn hoogst eigen creatie. De schrijver levert tekst maar een artistiek werkstuk wordt het pas door het talent van de lezer.
-
Nieuwsgierigheid is slechts ijdelheid. Meestal willen we alleen maar iets weten om erover te kunnen praten.
-
Nog een paar maanden, een paar winters, en niet een van deze machtige gastheren die ooit dit brede land vulden of die nu in fragmentarische groepjes door deze enorme eenzaamheid zwerven, blijft over om te wenen over de graven van een volk ooit zo krachtig en hoopvol als uw eigen.
Maar waarom zouden we klagen? Waarom zou ik mopperen over het lot van mijn volk? Stammen bestaan uit individuen en zijn niet beter dan zij. Mensen komen en gaan als de golven van de zee. Een traan, een klaaggeest, een klaagzang, en ze zijn voorgoed verdwenen uit onze verlangende ogen. Zelfs de blanke man, wiens God met hem wandelde en sprak, als vriend onder elkaar, is niet vrijgesteld van deze gemeenschappelijke lotsbestemming.
Wellicht zijn we uiteindelijk toch broeders. We zullen zien.