Citaten 1141 t/m 1150 van 1703.
-
O mijn broeders, niet achterwaarts moet uw adel schouwen, maar naar buiten! Verdrevenen zult gij zijn uit alle vader- en stamvaderlanden!
-
O mijn broeders, over sterren en toekomst werd tot nu toe slechts gefabeld, niet geweten; en daarom werd over goed en kwaad tot nu toe slechts gefabeld, niet geweten!
-
O, mijn jonge vrienden, hoe heerlijk is het begin van een liefdesgeschiedenis en hoe onwaardig soms het einde!
-
Of een daad goed of kwaad is hangt af van het motief waaruit we handelen. Als ik een bedelaar een geldstuk toewerp met de bedoeling hem een gat in zijn hoofd te gooien, en hij raapt het op en koopt er eten van, heeft mijn daad een goede uitwerking; hoewel het van mij heel verkeerd is geweest.
-
Omdat ik alles beter weet is het mijn plicht om betweters te minachten.
-
Omdat mijn zegeningen worden misbruikt, moet ik, Goud, daarom worden beschuldigd, veroordeeld en vervoekt?
-
Onafhankelijkheid was altijd mijn verlangen en afhankelijkheid mijn bestemming.
-
Onze grootvaders moesten rennen, rennen, rennen. Mijn generatie is buiten adem. We rennen niet meer.