Citaten 1631 t/m 1640 van 1703.
-
Wat mijn heer ook doet, hij heeft altijd gelijk.
-
Wat ook mijn individuele verlangens waren om vrij te zijn, ik was niet de enige. Er waren veel anderen die hetzelfde voelden.
-
Wat was de rots waar mijn glijdende jeugd op sloeg,
En welk helder onwerkelijk pad heeft me tot hier geleid? -
Wat was ik zonder u, vriend Publiek! Al mijn gevoelen was alleenspraak, al mijn vreugde stom!
-
We kunnen het niet horen
Maar wie weet welke kreet
Een blad onwillig loslaat
En neerdwarrelt
Ik huiver bij de gedachte
En dank mijn doofheid -
We lijken op een museum. Mijn functie is om oude meesterwerken in moderne lijsten op te voeren.
-
We zijn geneigd om 'universele' liefde als heteroseksueel te zien. Waar ik in mijn werk op sta, is dat er niet zoiets bestaat als universele liefde in de literatuur.
-
Welke namen geeft mijn hart me in voor die in- en uitgroeisels waarin het verlangen zich uitdrukt, verdwijnt en weer ontwaakt? Hoe moet ik ontroeren wanneer ik het over 'coitus' heb?
-
Werken is naar mijn mening voor mensen evenzeer een noodzaak als eten en slapen.